In lang vervlogen tijden waren de mensen zich ervan bewust dat ze onderdeel waren van de natuur om hen heen. In de natuur zagen ze tekenen en herkenningspunten waarmee ze bepaalden wat de beste tijden waren voor het plannen van activiteiten, het uitvoeren van de geplande acties en wanneer rust noodzakelijk was. De natuur bestaat uit veel cirkels. Logisch dat onze voorouders ook het leven zagen als een cirkelgang: Van kind groei je op tot jongvolwassene, dan wordt je vader/moeder en daarna de oude wijze man of vrouw. Ook de zon en de maan volgen een cirkelgang. Deze cirkelgang vormde het uitgangspunt voor de tijd. De afwisseling tussen dag en nacht wordt bepaald door opkomst en ondergang van de zon. Een jaar wordt bepaald doordat elk jaar de zon weer op hetzelfde punt aan de horizon terugkomt. Stonehenge is hiervan een goed voorbeeld. De maancyclus geeft de tijden aan waarop rust voor reflectie of juist activiteit aan de orde is.

De zon werd gezien als het leven gevende principe en werd verbonden met de dag. De maan werd gezien als vertegenwoordiger van de onzichtbare krachten in de natuur die op het leven in werken. Zodoende dat men de maan verbond met de nacht. Tijdens een cyclus van de maan worden de subtiele krachten van de maan steeds zichtbaarder om ten slotte weer af te nemen. Deze cirkelgang gaat maan na maan door.  

De aarde loopt in circa één jaar rond de zon. Onze huidige kalender is hierop gebaseerd en ook de Kelten gebruikten dit uitgangspunt. Een zonnejaar noemen we de Grote Cyclus. De cirkelgang van de maan rond onze aarde wordt de Kleine Cyclus genoemd. Tijdens de Grote cyclus zijn er 12 Kleine cycli (in sommige jaren 13 cycli; dit is vergelijkbaar met de schrikkeldag in onze huidige Romeinse kalender).

De aanvang van de seizoenen was bij de Kelten op het moment dat de Volle Maan in een bepaald sterrenbeeld stond. De winter was de start van het Keltische jaar en deze volle maan valt rond november. De lente start in februari, de zomer in mei en de herfst in augustus. De start van een seizoen werd gevierd en wij herkennen deze momenten nog terug als Allerheiligen, Maria Lichtmis, Mariamaand en Maria Ten-hemel-opneming. Daarnaast waren er nog vier feesten in een jaar. Deze werden bepaald door de stand van de zon: Midwinter, Lente-equinox, Midzomer en de Herfst-equinox. Deze feesten vallen vaak halverwege een Keltisch seizoen. Deze acht feesten markeerden de belangrijkste momenten in de Grote cyclus. 

Druïden en priesteressen die zich innerlijk hadden verbonden met de cycli in de natuur konden deze informatie vertalen naar het dagelijks leven. Zij zagen de kennis van de natuur niet alleen als middel om oogsten te laten slagen (wat in vroegere tijden essentieel was), maar ook als een weg van persoonlijke ontwikkeling. Middels gebruik van archetypen (middels goden en godinnen), verhalen en sagen leggen ze een uitnodiging neer om je te verbinden met jezelf. Elk jaar weer, elk jaar een laagje dieper…

Het is deze weg waarop ik je graag mee wil nemen bij Jaarcirkels.